MuziekPodium Zeeland is een in Veere gevestigde organisatie, welke op diverse plekken in de provincie concerten en projecten organiseert. Er wordt nieuwe muziek geprogrammeerd, maar ook oude en (modern-)klassieke muziek en daarnaast ook jazz en geïmproviseerde muziek en zelfs niet-westerse muziekuitingen.
De in 1342 gestichte kerk, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Sneeuw, kreeg in 1472 van de machtige Wolfert V van Borssele, heer van Sandenburg en Veere, een kapittel. Onder zijn leiding en voor een groot deel op zijn kosten werd begonnen met de bouw van een nieuwe en grotere kerk. Er werden Vlaamse bouwmeesters belast met het ontwerp en mogelijk leverde de Antwerpenaar Everaert Spoorwater de eerste ontwerpen. Er werd echter in 1479 een contract gesloten tussen Wolfert van Borssele en Antoon I Keldermans, een lid van de beroemde Mechelse architectenfamilie. Tot de dood van Wolfert leidde Antoon de Oude de werkzaamheden. Daarna werd hij opgevolgd door zijn zoon Rombout.
Op 20 mei 1465 stierf de Schotse koningsdochter Mary Stuart, dochter van Koning James I van Schotland en zijn koningin Joan Beaufort. Zij was gehuwd met Wolfert VI van Borsele en daardoor Markiezin van Veere. De koningsdochter werd “met grote eerbied” begraven. Haar grafmonument of grafsteen en alle kennis over de exacte plaats waar zij werd begraven zijn verloren gegaan.
Na 1520 werden de Heer van Veere en zijn familieleden overigens niet langer in de kapel van Kasteel Sandenburgh, maar in een grafkelder van de Grote Kerk begraven.
In 1484 waren de daken en ramen voltooid. Een “Francke de glasemaker” werd betaald voor glas-in-loodramen boven de noordelijke toegangsdeur. Er waren aanzetten voor een stenen gewelf, een netgewelf in laat-gotische stijl, aangebracht op muren en zuilen maar een gewelf kon niet worden voltooid. De kerk hield een houten zoldering. Ten tijde van de Reformatie werden in 1520 alle bouwactiviteiten door de kerkfabriek gestaakt. De onvoltooide kerk werd luisterrijk ingericht en in 1543 door George van Egmont, Bisschop van Utrecht gewijd.
De kerk werd voor de protestantse eredienst gereed gemaakt. De kerkschatten zijn grotendeels verloren gegaan. Jan van Miggrode, de voormalige pastoor, werd de eerste predikant. De hervormden lieten een muur tussen schip en transept bouwen. Zij hielden immers geen processies binnen de kerk en zij verzamelden zich rond een nieuwe preekstoel in de middenbeuk. Omdat de reusachtige kerk voor het kleine Veere veel te groot was het niet meer dan logisch de kerk naar bevind van zaken op te delen.
Op 25 mei 1686 heeft een grote brand in het schip van de kerk gewoed. Onvoorzichtige loodgieters veroorzaakten brand en de gehele kap van de kerk werd verwoest. Ook de vieringtoren boven de kruising en de vierkante houten torenopbouw met de daaronder hangende klokken gingen verloren. De brandende balken storten neer op de kerkvloer en zij zullen al wat nog restte van de middeleeuwse luister van de kerk hebben vernield. Grafstenen en monumenten gingen daarbij verloren.
In 1809 richtten de Fransen in het leegstaande schip een hospitaal in van vier verdiepingen. Op de begane grond werden paarden gestald. Honderden krijgsgevangen gemaakte Britse soldaten hadden Zeeuwse koortsen, een vorm van malaria opgelopen. Er stierven zes tot acht Britse zieken per dag. De Fransen bleven overigens niet achter, aan hun zijde werden 1427 sterfgevallen in negen maanden genoteerd. Daarbij verwijderden ze het triforium en metselden ze de ramen dicht. Op de toren werd op 14 oktober 1810 een optische telegraaf geïnstalleerd, een zogenaamde semafoor, om te kunnen communiceren met andere kerken , zo ver als Zierikzee. Op deze wijze konden de inventieve Fransen door geheel Europa contact met elkaar houden, zonder uitputtende paardritten.
De Fransen hebben het kerkhof rond de Grote Kerk van grafstenen ontdaan om er een wandeltuin van te maken. Zij hebben bomen geplant en paden aangelegd. In een halfronde kring achter het koor werden achttien banken geplaatst.
In 1811 was Veere zozeer ontvolkt en was de gereformeerde gemeente zo klein geworden dat men de intussen zeer vervallen Grote Kerk niet meer wilde gebruiken. Men trok zich terug in de zuid- en middenbeuk, zeg in het koor van de Grote Kerk, de huidige Kleine Kerk.
Na het vertrek van de Fransen nam de Nederlandse Staat de kerk, met uitzondering van het koor, over en herbouwde dat tot een bedelaarsgesticht en in 1839 weer tot hospitaal. Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp bezochten de kerk in 1823 en Van Lennep beschreef Veere als een stad in het “diepste verval”. Over het bedelaarshuis merkt hij op dat de honderd gedetineerden een goede behandeling genoten. Er waren geen zieken behalve de schurftlijders. De Grote Kerk was van 1823 tot 1827 het onderkomen van landlopers, weeskinderen en dronkelappen, die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien. Men liet de inwoners zadelmaken, weven en spinnen. Een dominee gaf godsdienstonderricht.
Toen in 1873 de Vestingwet van Weitzel werd goedgekeurd hield Veere definitief op een vesting te zijn. Het Rijk verkocht het enorme, maar nutteloze bouwwerk aan de Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente van Veere.
Deze verkoop bracht de Grote Kerk in acuut gevaar: de kerkvoogden wilden het gebouw afbreken en de stenen en het hout verkopen, op zoek naar snel gewin. Een actie van Charles de Koster en het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zorgde ervoor dat de verkoop weer ongedaan werd gemaakt.
Dankzij bemoeienissen van Victor de Stuers kon het gebouw als monument behouden blijven en in 1890 verwijderde men de drie houten verdiepingen weer. Het gebouw werd in dat jaar een rijksmonument, het eerste in Nederland. Het gebouw is nog steeds eigendom van de Staat en maakt tegenwoordig onderdeel uit van de portefeuille van de Rijksgebouwendienst.
Dat het gebouw als een belangrijk monument werd beschouwd, zorgde ervoor dat het gebouw behouden bleef maar een waardige bestemming kreeg de kerk niet. Het schip van de kerk werd in de loop van de 19e en 20e eeuw gebruikt als stal, overdekt voetbalveld, opslag van een aannemer en een houthandel, feestzaal en na de watersnoodramp van 1953 als noodstal voor het geredde vee.